rabarber
september 13, 2008 at 3:23 am | In verhalen | No CommentsPapa ArtyMarty had zowaar spontaan zijn versgeplukte en onbespoten rabarberstronken gewassen, in blokjes gesneden en tot moes gekookt.
Dat beetje teveel aan water mocht de pret niet drukken.
Wat schepjes suiker al roerende toegevoegd, vooral niet te veel, want die witte geraffineerde suiker is de pest voor je botten.
Vol verwachting (en tegen beter weten in) presenteerde ArtyMarty zijn gezinnetje zijn kooksel.
“Laat die deksel op dat doosje zitten” opende kindlief het diner.
“Als toetje” vervolgde moeders.
Mistroostig keek ArtyMarty naar het afgesloten bakje.
“Het stinkt!” ging kindlief verder.
“Maar we nemen in ieder geval een hapje. Dat is wel zo eerlijk!”
Ja ja, mama weet wel hoe je de stemming er in kunt houden.
Na het eten hevelde papa ArtyMarty een paar lepels rabarber over van het bakje naar een kommetje.
“Jij eerst” zei de dochter tegen haar moeder.
Moeder nam een hap en alle frustraties van een armoedige jeugd – een tekort aan geld en een teveel aan kinderen; dus heel veel rabarber uit eigen tuin: rabarbermoes, rabarberlimonade, rabarbertaart en rabarbercake etc. – wrong zich in één seconde in haar gezicht naar buiten.
“Kijk” dacht ArtyMarty, “goed voorbeeld doet volgen!”
Groot was dan ook zijn verbazing dat zijn kind toch één hapje nam.
“Zuur! Er zitten draden in!”
Het kind gaf bijna over.
Zonder medelijden staarde ArtyMarty naar zijn dochter.
“Er zit te weinig suiker in” was het verwijt van ma.
“Dat is express” verdedigde ArtyMarty zich. “Suiker breekt je botten af!”
Dus ArtyMarty eet zijn rabarber zelf op en geeft ook wat aan zijn vader die dankbaar is voor elke hap voedsel die hem wordt aangeboden daar er een tijd in zijn leven is geweest (de Tweede wereld Oorlog) dat hij helemaal niets te vreten had gehad.
een wel heel korte roman
april 25, 2008 at 12:01 am | In literatuur, taal, verhalen | No CommentsHet was precies Donderdagmiddag drie minuten over drie dat Jan-Kees zijn vertrouwen in de mensheid verloor.
Op dat moment kreeg hij een enorme vuistslag van een neprode kortgeknipte dame op zijn achterhoofd.
Met de sterretjes voor zijn ogen wankelde hij naar een lantaarnpaal om zich aan vast te klampen.
Arme Jan-Kees.
Dagen had hij gewerkt aan een verslag over raadselwolken, dat eenmaal netjes uitgeprint in een snelhechter moest worden ingebonden.
Maar waar hij ook zocht, de perforator voor de broodnodige gaatjes bleek onvindbaar.
Terwijl hij steeds wanhopiger zocht begon hij gedachteloos te zingen.
“Waar is mijn gatending, waar is mijn gatending?”
Gedachteloos zingen deed Jan-Kees altijd als hij iets kwijt was.
Ten einde raad besloot hij om naar de kantoorboekhandel te wandelen en een nieuwe gatendrukker te gaan kopen.
“Smeerlap! Hoe durf je zo over vrouwen te spreken?!” hoorde hij vlak achter zich een vrouwenstem zeggen.
er was eens een jongen
maart 5, 2008 at 12:01 am | In column, media, politiek, religie, verhalen | 1 Comment
Er was eens een jongen die Geertje heette.
- Hallo Geertje!
.

Geertje wilde de wereld leren kennen.
Hij besloot om op reis te gaan.
Hij stopte zijn tandenborstel in zijn zak en ging op stap.
Geertje ging naar Parijs.
Parijs is de hoofdstad van Frankrijk.
- Hallo zeiden de mensen in Parijs.
- Wees welkom en kijk maar lekker rond.
- Leer van onze geschiedenis.
.

Geertje ging naar Berlijn.
Berlijn is de hoofdstad van Duitsland.
- Hallo zeiden de mensen in Berlijn.
- Wees welkom en kijk maar lekker rond.
- Leer van onze geschiedenis.
.

Geertje ging naar Rome.
Rome is de hoofdstad van Italië.
- Hallo zeiden de mensen in Rome.
- Wees welkom en kijk maar lekker rond.
- Leer van onze geschiedenis.
.

Geertje ging naar Athene.
Athene is de hoofdstad van Griekenland.
- Hallo zeiden de mensen in Athene.
- Wees welkom en kijk maar lekker rond.
- Leer van onze geschiedenis.
.

Geertje ging naar Washington.
Washington is de hoofdstad van Amerika.
- Hallo zeiden de mensen in Washington.
- Wees welkom en kijk maar lekker rond.
- Leer van onze geschiedenis.
.

Geertje ging naar Mekka.
Mekka is de hoofdstad van de moslims.
- Wat doe jij hier? zeiden de mensen in Mekka.
- Gemene kruisridder!
- Lelijke spion!
Geertje kreeg straf van de mensen in Mekka.
.

De baas van Nederland sprak wijze woorden.

- EINDE -
geen mister bean
januari 18, 2008 at 12:01 am | In maatschappij, persoonlijk, verhalen | No CommentsHet leven is niet eerlijk.
Het is een open deur die ik met bitter genoegen intrap.
Waarom is Mister Bean zo populair en ik niet?
Wij hebben allemaal een Mister Bean in ons.
Anders zouden wij niet om dat malle mannetje lachen.
Men lacht om de herkenning, toch?
Vanmiddag fietste ik in ons dorpje.
Met grote snelheid vloog een man op een tandem mij voorbij.
“Meneer! Meneer!” riep ik met de meest verontrustende stem die mijn strottenhoofd kon produceren.
De man remde meteen en keek om.
“U bent uw vrouw verloren” zei ik.
De man keek mij één seconde aan, zei niets en stoof weer weg.
Even later werd ik gepasseerd door een vader op een fiets met zo’n meetrap kinderfietsje er achter gehangen.
Ongetwijfeld op weg naar het kinderdagverblijf.
Zou ik het doen?
Of niet?
Niet dus.
Bij twijfel is men al geen Mister Bean meer.
cynische grappen
januari 13, 2008 at 12:01 am | In persoonlijk, verhalen | No CommentsToen ik mijn vader met de rolstoel zijn appartement in had gereden en hem op zijn vertrouwde stoel bij de tafel had geholpen zei hij:
“Ik heb geluk gehad met mijn hersenbloeding. Ik ben door het oog van de naald gekropen. De neuroloog heeft gezegd dat als ik gerookt had, het heel wat slechter met mij was afgelopen. Die nicotine en al die andere rommel veranderen de bloedvaten en aderen in je hersens.
En dan denk ik aan Dingetje…”
Dingetje is mijn oudste broer.
Hij rookt een pakje sigaretten per dag, of meer.
“Tja” zei ik, “met zijn rookgedrag haalt hij jouw leeftijd niet eens, dus daar zou ik mij maar niet druk over maken.”
“Dat is weer een ander verhaal” zei mijn vader moedeloos.
Later had ik een beetje spijt van mijn cynische grap.
Humor is de laatste strohalm in bange dagen, maar soms, soms moet je dergelijke grappen maar even voor je houden.
een hele jongen
januari 9, 2008 at 1:47 am | In persoonlijk, verhalen | No CommentsAchter mijn toetsenbord ben ik een hele jongen.
Met twee vingers kan ik de wereld aan!
(Dit is een grapje want ik type met twee vingers.)
Maar nu in de boze buitenwereld.
Op kerstavond kwam ik er achter dat de linkerkoplamp van mijn barrel het niet meer deed.
Meteen naar huis geracet.
Hopen op geen bekeuring die ik ook niet (engeltje?) kreeg.
Op eerste kerstdagmiddag moest ik voor een bezoekje naar het ziekenhuis.
ANWB bellen of toch zelf maar gaan prutsen?
Tja tja tja tja.
Voor een lampje…
Ik keek naar het daglicht.
Het is verboden om met defecte verlichting de weg op te gaan, maar met daglicht (dus met de verlichting uit – ik rij tegenwoordig altijd met mijn verlichting aan, zelfs de kleinste stukjes) valt dit defect niet meteen op.
Toch maar prutsen.
Vele auto’s geleden heb ik wel eens een lampje verwisseld.
In de kofferbak vond ik een zowaar een doosje lampjes.
Na enig zoeken vond ik ook nog de ontgrendelingsknop van de motorkap, ergens onder het stuur.
Drukken en de motorkap kwam omhoog.
Nu nog van de windhaak en ik kon aan de slag.
Mijn rechterwijsvinger peuterde aan de windhaak (die voorkomt dat de motorkap tijdens het rijden omhoog waait zodat je niets meer ziet).
Van links naar rechts.
Van rechts naar links.
Trekken.
Duwen.
De duim ging helpen.
Maar nee, ik kreeg er geen beweging in.
Het enige resultaat was dat ik zwarte vingers kreeg.
Ik nam een resoluut besluit.
Ik stapte in en sjeesde naar mijn doel.
Twee uur later was ik weer thuis.
Ik pakte mijn mobiel en belde de wegenwacht.
Aarzelend legde ik mijn probleem uit: lamp stuk, ik krijg de motorkap niet open…
De ANWB mevrouw (ook dat nog!) wilde wel op zoek gaan naar een techneut.
Nee nee nee!
“Kunt u misschien iemand sturen?”
“Maar natuurlijk!”
(Later kreeg ik het volgende grapje om mijn oren: “Mevrouw, wat heeft u een lage stem?!”
Binnen het half uur belde de wegenwachter aan.
“Sorry sorry, ik krijg de motorkap niet open.”
Ik mocht op de ontgrendelingsknop drukken en voordat ik de kans kreeg om te kijken hoe het moest stond de motorkap al op de haak.
“Kunt u mij straks laten zien hoe die motorkap open moet?”
De wegenwachter knikte ja.
Hij legde uit hoe je de lamp verwisselen moest.
“Vroeger, in mijn Peugeotje, deed ik het altijd zelf.”
“Deze is ook niet zo moeilijk” zei de beste man.
En hup, mijn linkerkoplamp straalde weer als vanouds.
Ik bedankte de wegenwachter uitbundig en huppelde dolgelukkig mijn huis in.
Even later: “KUT!”
Nu weet ik nog niet hoe de motorkap open moet!
Zal wel weer op bellen uitdraaien bij een defect lichtje.
uitstraling
januari 2, 2008 at 12:01 am | In literatuur, persoonlijk, verhalen | No CommentsIk had me toch een uitstraling met Oudjaar zeg.
Waar kwam die nou ineens vandaan?
Was het om dat ik opgelucht was dat het jaar erop zat?
Niet echt.
Ik heb er al zoveel jaren opzitten.
Eentje meer of minder maakt heus niet uit.
Was het omdat ik mijn vader uit het ziekenhuis ging ophalen?
Ook niet.
Uit puur egoïstische bewegingen had ik het ophalen liever doorgeschoven naar het nieuwe jaar.
Ik zat niet te wachten op al dat geregel, gedoe en zorgen van “redt hij het wel in zijn eentje” etc. tijdens “Oud en Nieuw”.
Tegenover het ziekenhuis was een Supermarkt.
Een klein volgestampt benauwd hok, gericht op studenten, alleenstaanden en een paar bejaarden.
Je wordt er raar aangekeken als je een héél brood wil hebben.
Deed daarom maar vier halfjes in mijn karretje.
Maar drúk, tjonge jonge wat liep die toko.
Toen mijn vier halve broden plus een stukje kaas aan de beurt waren om afgerekend te worden klaagde een meneer tegen de caissière dat de rij te lang was – er diende een (derde) kassa bij te komen.
“Boos boos boos” zei ik tegen de caissière.
Ze schoot in de lach.
“Wat een benauwd winkeltje” zei ik.
Weer een lach.
“Zo zijn alle supermarkten hier” antwoordde ze.
“Ach, het is meteen voor mij de laatste keer” deed ik vrolijk.
“Wat jammer nou!” kreeg ik terug.
(En daar zat geen spotternij in verborgen!)
Wierp de boodschappen in de auto en wandelde het ziekenhuis in op weg naar mijn oude heer.
Rolstoel regelen (terugbrengen hoor!), zette me pa erin en reed hem naar mijn auto.
Hij had zijn crisis (godzijdank!) goed doorstaan want het was al meteen van:
“O rij je zo?! Waar staat je auto? O daar? Ja nu snap ik het…ik dacht even…)
Ik parkeerde mijn vader in mijn wagen -zeer vertrouwd want ooit de zijne.
En ging de rolstoel terugbrengen.
Vlak voor de ingang lachte een zustertje, op weg naar haar werk, mij vriendelijk toe.
Die lach ving ik op in een hoofddraai op.
Ik keek weer in haar richting (ik ben zo type die bekenden vaak over het hoofd ziet) en hup het lachje werd, nu breder, herhaald.
Ik dacht haar niet te kennen.
Maar lachte - uiteraard! - terug.
We kwamen samen in die traag draaiende ziekenhuisdeur terecht.
“U gaat gezellig een dagje met meneer Stevens uit”.
“O” dacht ik, ben ik dan toch aangezien voor iemand anders.
Dus was het geen zomaarlachje?
“Ik geloof dat u mij aanziet voor iemand anders” zei ik beleefd.
Toen was het dikke pret.
Het zustertje wees naar de rolstoel waarop een groot vel wit papier was geplakt en daarop was met zwarte viltstift geschreven: “Dhr. Stevens, afdeling huppeldepup”
Ik lachte enigszins schaapachtig want ik had de tekst bij ontvangst van de rolstoel heus wel gelezen. (Stom stom stom!)
Maar dit vertelde ik niet.
Alleen maar dat ik de stoel even geleend had voor mijn vader.
We namen afscheid om elkaar een gang verder weer tegen het lijf te lopen.
Toen was het mijn beurt om hard te lachen.
“Ik vroeg” Gaat u naar de afdeling huppeldepup.
“Ja” zei ze.
“Wilt u die rolstoel dan meenemen”
Geen probleem.
Gelukkig was het geen meisje voor mij om verliefd op te worden.
Anders had ik tot handelen moeten overgaan.
(Met een zieke pa die zat te vernikkelen in een stilstaande, dus onverwarmde auto.)
En als ik dat niet had gedaan dan had ik nu de pest in mijn lijf gehad.
Toen ik bij de auto terugkwam viel het me mee dat mijn oude heer niet achter het stuur was gekropen maar braaf was blijven zitten op de plek waarop ik hem geparkeerd had.
notities van een oud wijf
oktober 23, 2007 at 12:01 am | In persoonlijk, verhalen | No CommentsAf en toe ben ik net een oud wijf.
Zat ik midden in de nacht grote wolken naar het plafond te blazen (spaarlampje aan), hoorde ik ineens een grote auto onze parkeerplaats op rijden.
Natuurlijk keek ik naar buiten.
Er kwam een ambulance voorbij.
“Huh! Een ambulance! Alweer!”
Afgelopen jaar zijn er al twee lijken uit ons gebouw afgevoerd, dus ik was zeer benieuwd wie er ditmaal een goddelijke nominatie had gekregen.
Maar dit was wel een hele rare ambulance.
Hij reed traag, keerde op zijn elfendertigst en: Zijn zwaailichten stonden uit!
Toen stopte hij voor onze ingang.
Ik spurtte naar de andere kant van de kamer en klikte het spaarlampje uit.
Loeren is namelijk alleen leuk als je niet gezien wordt.
Te laat was ik terug.
Gemoedelijk stond de volkomen donkere ambulance voor onze ingang te wachten.
Dit was toch wel even anders dan de vorige keer.
Toen was de ambulance vergezeld van twee flink blauwzwaaiende politieauto’s en een hoop stemmen.
Ik baalde en trok aan mijn sigaar.
Biggles kwam in mijn gedachten.
Zijn sigaretje was op grote afstand nog te zien!
Bij mijn volgende trekje schermde ik mijn rokertje met de hand af.
Gebeurde daar nog wat beneden!
In gedachten ging ik de bewoners van mijn flat na.
Voor wie o wie was die ambulance gekomen?
Ik maakte maar een wandelingetje door de donkere kamer.
Dit duurde mij te lang.
Toen hoorde ik de portiekdeur opengaan en ik racete terug naar het raam.
Ik zag een vent zonder ambulancekleding naar de auto lopen.
Gevolgd door een vrouwtje voorzien van plastic zakken.
Ach god!
Het vrouwtje moest werken.
Altijd loopt ze van of naar haar auto in verpleegsterskleding.
En altijd alleen.
De man maakt aanstalten om om de auto heen te lopen, daarna draaide hij zich om.
Met zijn autosleutel klikte hij de deur voor het vrouwtje open.
Toen liep hij naar zijn eigen portier.
“Hé hufter! Kun je de deur niet even openhouden voor dat meisje?!”
Dit dacht ik.
Ze opende het portier en klom naar binnen.
De plasticzakken werden op de vloer gezet en ze gespte zich braaf in de gordels.
Daar gingen ze.
Vier uur in de nacht.
Vol van medelijden keek ik de auto na.
op een kerktrap
oktober 9, 2007 at 12:01 am | In persoonlijk, religie, verhalen | No CommentsIk had mij heerlijk in het goddelijke zonnetje genesteld op de trap van het kleine kerkje.
Uit mijn auto had ik een sigaar, een vuurtje en het asbakje gehaald.
Ik ga niet zomaar mijn as rondstrooien – god ziet namelijk alles.
Naast mij stond een glas tintelend water.
En een kopje thee, mij zomaar aangeboden door een mevrouw met een grijze ragebol op haar hoofd.
Honingthee! waarschuwde zij nog.
Mij maakte het allemaal niet uit.
Ik voelde mij geheel tevreden.
Toen de kerkdeur dichtging – tegen de rook? – ging ik om mij heen kijken.
De trap was voorzien van een invalide oprijbaan.
“Tja” dacht ik, “als god wil dat zijn schaapjes naar het huis gods dienen te komen, maar dat niet kunnen daar zij kreupel zijn, dan dient god zijn schaapjes niet kreupel te maken. Dan is die invalide oprit ook niet nodig.”
Toen kwam er een mevrouw met een kinderwagen naar boven zoeven.
Inderdaad – god straft onmiddellijk.
De oprijbaan was ook voor het jonge leven bedoeld.
Je kunt moeilijk van god verwachten dat hij het jonge leven met uitstekende wandelbenen geboren laat komen.
Hoewel, hertjes, koetjes, paardjes etc. die lopen in een mum van tijd rond.
Maar die weten niet wie hun vader is.
Dat is voor deze vader, die zojuist zijn dochtertje bij het kerkkoor heeft afgeleverd en braaf wacht tot de voorstelling – euh…dienst – gaat beginnen, teveel.
Ik denk vaak aan het lied van Hans Dorrestijn “Ik heb een kind dat wil ik houden”
Daarvoor wil ik best af en toe op een kerktrap een uur verlummelen.
Daarvoor mag mijn kind – voor de lieve vrede – heus wel op een kerkkoor.
En, ik vind het vet cool gaaf van god dat kinderen zo’n lange weg naar hun volwassenheid dienen af te leggen.
Ik ben er nog helemaal niet klaar voor om een volwassen dochter uit mijn voordeur te zien stappen.
Ik wil nog zeker nog tien jaar zorgzaam kunnen zijn.
waardevermindering
oktober 5, 2007 at 12:01 am | In maatschappij, persoonlijk, televisie, verhalen | 2 CommentsAls ik zeker iets niet in mijn leven ga doen dan is het een appartement kopen.
Daar krijg je namelijk gratis een Vereniging van Huiseigenaren bij.
Altijd leuk, dat gratis, behalve als het een enge ziekte, of een Vereniging van Huiseigenaren betreft.
Toen mijn vader een in algemene bewoordingen gestelde nieuwsbrief van de Vereniging van Huiseigenaren in zijn brievenbus vond, wist hij meteen dat het over hem ging.
Er stond in:
Er waren bewoners die wel eens in ochtendjas gestoken naar hun brievenbus wandelden om hun krantje op te halen.
Er waren wel eens bewoners die hun wasgoed op hun balkons te drogen hingen.
Wie ging weleens in ochtendjas gestoken naar beneden?
Mijn oude heer.
Wie hing weleens een paar overhemden aan een droogrekje op zijn balkon?
Mijn oude heer.
Dit gedrag ging ten koste van de uitstraling van het complex, met andere woorden, dit kostte geld!
Op internet bekeek ik een aflevering van de Rijdende Rechter.
(zie: http://www.ncrv.nl/?nav=rtfpdDsHtGAubCjcCKFeB )
Een mevrouw had naast haar voordeur een wandkleedje opgehangen.
Deze mevrouw woonde op de begane grond, dus iedereen die het gebouw binnenkwam, kwam oog in oog te staan met het opgehangen kleedje.
Volgens een aantal mensen was het wandkleedje dermate afstotend dat het psychisch lijden veroorzaakte en dat het wandkleedje ook nog tot waardevermindering van de appartementen leidde.
Tijdens de hoorzitting kwam een klager in beeld.
Het wandkleedje verpeste zijn hele entreebeleving.
Ik wil niet veel zeggen maar die gozer was zo afschuwelijk lelijk dat hij mijn hele televisiebeleving verknalde.
Met zo’n buurman is je huis nog maar half zo veel waard.
Dit zou mijn verweer zijn geweest.
Maar dit mag je natuurlijk weer niet zeggen.
Blog op Wordpress.com. | Theme: Pool by Borja Fernandez.
Entries and comments feeds.
